Akke en Bennie: hoe het begon.

17 Aug 2015

 

In de straat waar ik woon wordt af en toe door enkele buurtgenoten een

‘buren-activiteit’ georganiseerd; een barbecue of een stamppotbuffet, en

soms een ‘crea Bea’ middagje alleen voor de vrouwen. Begin vorig jaar ben

ik ook eens naar zo’n vrouwenmiddag geweest. Daar ontmoette ik Akke.

Tijdens een ‘wat-doe-jij-eigenlijk’ gesprekje met de vrouw naast mij,

vertelde ik over mijn bezigheden, mijn hobby’s en fascinaties. Zo kwam het

dat ik op ’n gegeven moment vertelde over mijn Duitse moeder die als kind

de oorlog in Duitsland heeft meegemaakt, dat ik graag nog eens een boek wil

schrijven over haar leven, dat de Tweede Wereldoorlog sowieso een onderwerp

is dat mij zeer interesseert en met name de Jodenvervolging en het

Jodendom.

De toen nog 87-jarige Akke ving op waar wij het over hadden en zei dat zij

zich nog goed kan herinneren dat er Joodse kinderen bij haar op school

zaten. Haar Joodse klasgenootje bijvoorbeeld, Rosalietje Mendel – dochter

van de Rabbijn – had door polio een lam armpje maar kon tijdens de

gymlessen op school toch goed meekomen. Rosalietje ‘verdween’ opeens

tijdens de oorlog, evenals andere Joodse schoolgenootjes.

Ik had graag meer willen horen van Akke over haar herinneringen aan de

Tweede Wereldoorlog, maar onze creatieve activiteiten en het vrolijke

geklets van de aanwezige vrouwen lieten dat niet toe.

 

Het verhaal van Akke bleef in mijn hoofd rondspoken. Ik wilde graag meer

horen en had nog meer vragen. De herinneringen van mensen die de Tweede

Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt en uit eigen ervaring erover kunnen

vertellen vind ik mateloos interessant. Veel boeiender dan de geschreven

verhalen van geschiedschrijvers.

 

Ik besloot bij ze op bezoek te gaan. Maar niet voordat ik eerst bij een

andere buurtgenoot had gecheckt of ze een onverwacht bezoek van een

relatief ‘vreemde’ wel op prijs zouden stellen.

Op een ochtend liep ik, even na 10.00 uur – de tijd waarop ik veronderstel

dat de meeste mensen koffie gaan drinken - naar het huis van Akke en haar

man Bennie.

Bennie opende de voordeur. Ik stelde mij voor en legde de reden uit van

mijn komst. Bennie knikte, stapte achteruit en nodigde mij vriendelijk

binnen waar de geur van versgezette koffie mij tegemoet kwam. Mijn

veronderstelling bleek in elk geval juist.

Akke zat in de woonkamer, en terwijl ik mijn eerste slokje koffie nam legde

ik ook aan haar uit dat ik nieuwsgierig ben naar de oorlogsherinneringen

van mensen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt.

“Nou, daar kunnen wij je wel wat over vertellen,” zei Akke.

“Jazeker”, zei Bennie, “ik heb nog ondergedoken gezeten!”

Verrast door dit nieuwe gegeven richtte ik mijn aandacht op Bennie, die

inmiddels weer had plaatsgenomen in zijn gemakkelijke stoel voor het raam.

“Ik wilde aan de Arbeitseinsatz ontkomen!”

Ik pakte mijn schrijfblok en pen uit m’n tas en legde het klaar op mijn

schoot.

“Mag ik het opschrijven?” vroeg ik hoopvol.

“Ga je gang,” luidde het antwoord.

Vol belangstelling moedigde ik hem aan zijn herinnering met mij te delen.

 

Bennie begon te vertellen…

 

In 1942 kreeg de 19-jarige dienstplichtige Bennie een oproep voor de

Arbeidseinsatz. Volgens Bennie kon hij kiezen: gaan, of niet gaan. Bennie

koos voor het laatste en dook onder bij familie in Franeker.

Dat ging een tijdje goed totdat Bennie op een nacht in 1944 wakker werd en

er een Nederlandse NSB-politieagent naast zijn bed stond. Bennie werd

gearresteerd en moest mee. Maar zijn oom kocht de NSB’er om en wist Bennie

voor een bedrag van 600 gulden uit handen van de Duitsers te houden. Voor

alle zekerheid werd Bennie de volgende ochtend naar een ander

onderduikadres in Jelsum gebracht.

Eenmaal in Jelsum vernam Bennie na een paar maanden dat je met een vals

doktersattest, met de indicatie “zwaar maagpatiënt”, afgekeurd kon worden.

Dit valse attest zou verstrekt worden door een dokter uit het verzet. Maar

dat betekende wel dat Bennie persoonlijk op het arbeidsbureau, in het ‘hol

van de leeuw’, moest verschijnen voor een keuring door een Duits arts.

De keuring werd aangevraagd en Bennie kreeg een uitnodiging om op 6 juni

1944 om 10.00 uur op het arbeidsbureau aan de Willemskade in Leeuwarden te

verschijnen.

Elf dagen later was het zover: Bennie stapte het arbeidsbureau binnen.

Op diezelfde ochtend vond echter vroeg in de morgen de invasie van de

geallieerden aan de kust van Normandië plaats: D-day. De berichten daarover

hadden inmiddels ook Leeuwarden bereikt en er heerste enige paniek onder

alle Duitse militairen en nazi-sympathisanten.

Bennie had geluk en werd vanwege alle hectiek niet fysiek gekeurd. Hij

kreeg zijn afkeuring op doktersattest en ontving een “braunes Ausweis”, dat

hem vrijwaarde van tewerkstelling.

Als vrij man besloot hij terug te gaan naar Franeker om weer te helpen op

de bloemkwekerij van zijn familie.

 

Maar na een half jaar, in de koude winternacht van 10 januari 1945, werd

Bennie andermaal gewekt door een man naast zijn bed. Deze keer was het geen

omkoopbare NSB’er, maar een Duits soldaat. Er was een razzia gaande in

Franeker en er werden die nacht 40 mannen opgepakt. Bennie was toen 23 jaar.

Diezelfde nacht werden de mannen in open vrachtwagens, bij 20 graden vorst,

naar het Huis van Bewaring bij de Blokhuispoort te Leeuwarden gereden.

SS-Oberscharführer Grundmann, kopstuk van de SD in Leeuwarden, stond de

mannen de volgende ochtend te woord. Op zijn vraag of er ook ‘Leute aus

Franeker’ aanwezig waren antwoordde Bennie bevestigend, en zei er meteen

bij dat hij ‘ein braunes Ausweiss’ had. De reactie van Grundmann daarop

was: “Na, dann können sie ja ruhig in Drenthe arbeiten!”

Diezelfde avond werden Bennie en de andere mannen naar het station in

Leeuwarden gebracht. Nadat ze in goederenwagons waren geladen vertrok de

trein richting Groningen, waarbij de mannen zich op ’n gegeven moment toch

gespannen afvroegen of de trein niet verder naar het Oosten zou rijden.

Tot hun opluchting boog de trein af naar Assen waar ze om 2.00 ‘s nachts

aankwamen. Daar kregen ze eerst het commando om te gaan springen, zodat het

bloed weer door het lichaam zou gaan stromen na het lange stilstaan in de

goederentrein, en ze een beetje zouden opwarmen voor de lange voettocht die

hen te wachten stond.

In colonne liepen ze naar de psychiatrische inrichting “Port Natal” in

Assen, waar ze niet meer terecht konden omdat het vol was. Ze liepen door

naar een school in de buurt waar ze te eten kregen en op strobalen sliepen.

Na een paar dagen werden ze naar Leggeloo vervoerd, waar de 40 Franekers in

de klaslokalen van een door de Duitsers gevorderd dorpsschooltje werden

ondergebracht. De voormalige hoofdonderwijzer woonde nog in het huis

ernaast.

 

“We werden bewaakt door ‘kneusjes’,” vertelt Bennie; Duitse mankrachten

die door hun verwondingen of andere mankementen niet geschikt waren om aan

het front te vechten, maar nog wel in staat werden geacht om te bewaken.

De Duitsers verwachtten dat de geallieerden uit het westen zouden komen. Er

moesten daarom verdedigingswerken gebouwd worden bij de Drentse Hoofdvaart.

De gevangengenomen Franekers moesten die klus klaren, en er tankgrachten en

schuttersputjes graven.

 

Op een dag wisten twee mannen naar Franeker te ontsnappen. Zo kwamen ze er

in het Friese stadje achter waar “hun jongens” zaten. Vanaf toen kwam er om

de week een vrachtauto uit Franeker naar Leggeloo om de mannen voedsel,

kleding en drank te brengen. Vooral deze drank bood de gevangenen kans om

hun bewakers om te kopen, en zo wat gunsten van ze los te krijgen.

Eén van die gunsten was dat een gevangene af en toe een uurtje naar het

voormalige schoolhoofd mocht om – zogenaamd - even bij te kletsen. Daar

luisterde hij dan naar Radio Oranje op de BBC en bracht de rest van de

mannen op de hoogte van alle ontwikkelingen.

 

In het schooltje waar ze ondergebracht waren hadden ze andere bewakers dan

op het land. De overdracht vond telkens plaats bij de Dieverbrug. Als de

mannen aan het werk gingen, gingen de ‘schoolbewakers’ weer terug en deden

zich bij de warmte van de schoolkachel tegoed aan de drank. Tijdens een van

deze drankfestijnen klom een beschonken bewaker naar de zolder. Daar vond

hij muziekinstrumenten van de plaatselijke dorpskapel, die hun opslagplaats

op deze schoolzolder had. Onder de bewakers waren ook enkele muzikanten die

muziek gingen maken met de gevorderde instrumenten. Vaak vielen ze na dit

soort drinkgelagen uiteindelijk laveloos in slaap.

 

Op een zondagmiddag zag Bennie twee oudere medegevangenen met elkaar

smoezen. Hij had geen idee waar het over ging en liet ze maar. Maar

diezelfde avond om 18.00 uur, toen de bewakers weer eens laveloos op hun

bedden lagen, werd de ingang van de school door een paar mannen open geramd

en wisten 15 gevangenen te ontsnappen. Door het kabaal en de tumult werden

de bewakers wakker en gingen er met hun benevelde hoofden achteraan. Maar

de voortvluchtigen werden niet meer gevonden. De bewakers konden dit

natuurlijk niet over hun kant laten gaan en ze brachten de achtergebleven

mannen bijeen op het schoolpleintje. Ze werden geteld, genummerd en

gewaarschuwd: als er weer iemand zou ontsnappen zou elk 5e nummer

geëxecuteerd worden. Bennie had nummer 5.

 

Wilden de bewakers geen gezichtsverlies lijden bij hun superieuren, dan

moesten ze ervoor zorgen dat het aantal gevangenen weer zou kloppen. Dus

werden de volgende dag in Dwingeloo 15 burgermannen opgepakt en

gevangengenomen. Met z’n allen werden ze overgebracht naar een beter

bewaakbare school in Dwingeloo. Van daaruit moesten ze toen elke dag op

klompen de lange afstand naar de Drentse Hoofdvaart lopen om te werken.

 

Onder de in Dwingeloo opgepakte mannen was een 16-jarige jongen uit

Oosterwolde. Hij was te jong om te handhaven en moest worden vrijgelaten.

Bennie gaf de jongen snel een briefje mee voor zijn in Oosterwolde

ondergedoken neef waarin hij hem om hulp vroeg. De jongen stopte het

briefje in z’n broekzak.

 

Door de dagelijkse lange wandelingen op klompen naar de Drentse Hoofdvaart

kreeg Bennie grote blaren aan zijn voeten, die vanwege de slechte

hygiënische omstandigheden geïnfecteerd raakten. Hij kreeg

bloedvergiftiging en kon niet meer lopen.

De behandeling van een Duitse Sanitäter mocht niet baten. Er werd een

dokter bijgehaald die hem naar het ziekenhuis in Assen verwees. Bennie

moest zelf maar zien hoe hij daar kwam.

Gelukkig arriveerde op dat moment op de fiets uit Oosterwolde de

verloofde van zijn neef. Zij hadden de brief van de 16-jarige jongen

ontvangen, en nu kwam de verloofde van de neef vragen wat ze voor Bennie

konden doen. “Mij naar het ziekenhuis in Assen brengen” zei Bennie.

Bennie nam plaats achterop de fiets en ze vertrokken wiebelig richting

Assen. Onderweg kregen ze net buiten het dorp onverwacht hulp van iemand

met paard en wagen. Bennie werd op de wagen geladen, naar Diever gereden,

bij een gemeenteambtenaar op verhaal gebracht en verder naar Oosterwolde

vervoerd, naar de familie van de verloofde van zijn neef. Daar arriveerde

hij op 31 maart 1945.

 

De voeten van Bennie werden behandeld. Het eelt werd weggesneden, de

blaren doorgeprikt, het pus eruit gehaald en sodabadjes toegediend. “Dat

heeft mijn leven gered,” zegt Bennie er zelf over. Het duurde nog wel een

tijdje voordat hij weer kon lopen.

 

’s Nachts, wanneer Bennie in het donker wakker en onrustig in zijn bed lag

te woelen, zag hij door het raam van zijn slaapkamer Duitse soldaten

voorbij lopen. Met bepakking op hun ruggen en soms een kar voorttrekkend

waren zij zich langzaam aan het terugtrekken, zich bewust van het naderende

einde.

 

Op 13 april 1945 werd Oosterwolde bevrijd door één tank met Canadese

soldaten. De bewoners van het dorp kwamen naar buiten om er getuige van te

zijn. Omdat Bennie nog steeds niet kon lopen werd een kinderwagen snel

omgebouwd tot ‘rolstoel’. Zo werd hij naar de Canadese bevrijders en hun

tank gereden.

 

Nu de oorlog voorbij was, was onderduiken niet meer nodig. Na enkele weken

kwam de vader van Bennie op de bakfiets uit Leeuwarden om hem op te halen.

Maar Bennie’s neef wilde ook met zijn verloofde terug naar Leeuwarden, en

had voor de reis al een paard en wagen geregeld. Dus werd vader op de

bakfiets achter de wagen gekoppeld en Bennie op de wagen geladen. Met neef

en verloofde op de bok togen ze naar Leeuwarden. Soms, bij scherpe bochten,

kantelde de bakfiets met pa erop vervaarlijk achter de wagen. Telkens ging

het nét goed!

Via een kleine omweg, omdat enkele bruggen rondom de Friese hoofdstad waren

vernield, kwam Bennie eind mei 1945 weer thuis, bij zijn ouderlijk huis in

Leeuwarden.

 

Nadat Bennie zijn hele verhaal heeft verteld zegt Akke: “En nou vertel je

het ook niet weer hoor!” Meteen daarop kijkt ze mij met een brede glimlach

en een dikke knipoog aan en zegt: “Dat is natuurlijk maar gekkigheid. Hij

vertelt het maar zo vaak als hij wil…”

 

Met vellen vol nieuwe informatie en een lamme hand van het schrijven vroeg

ik voorzichtig of ik nóg een keer bij ze langs mocht komen. “Je bent altijd

welkom,” verzekerden ze mij beiden.

 

Met een glimlach om mijn lippen liep ik toen naar huis, na mij eerste

veelbelovende bezoek aan de vriendelijke Akke en Bennie.

 

Op de foto zie je Bennie aan het werk op de bloemkwekerij van zijn oom en

tante in Franeker, tijdens zijn onderduikperiode. De foto ernaast is van de

school in Dwingeloo, waarin Bennie met de andere 39 Franekers gevangen werd

gehouden.

Please reload

Recente berichten

March 12, 2016

Please reload

Archief
Please reload

Zoek op trefwoorden
Please reload

Lambeek tekst & vorm | Sylvia Lambeek | Groningen | 06 - 235 172 87

Bijgewerkt op 3 oktober 2019