Lambeek tekst & vorm | Sylvia Lambeek | Groningen | 06 - 235 172 87

Bijgewerkt op 3 oktober 2019

Akke en Bennie: Akke’s verhaal

 

Met Bennie’s verhaal nog in mijn achterhoofd loop ik enkele weken na mijn eerste bezoek aan Akke en Bennie voor de tweede maal naar hun huis. Ik neem mij voor om deze keer te vragen naar de oorlogsherinneringen van Akke. Tenslotte was haar verhaal over het joodse meisje met het lamme armpje de aanleiding geweest van mijn eerste bezoek aan hen.

Wederom opent Bennie de voordeur voor mij. (Later kom er achter dat hij altijd degene is die de voordeur opent voor bezoekers. Akke lijdt al sinds lange tijd aan de ziekte ‘neuropathie’ waardoor zij niet meer in staat is om goed te lopen en zich in huis verplaatst met een rollator.)

“Komt het uit dat ik weer langskom?” vraag ik.

“Het komt altijd uit, behalve ’s nachts”, is het antwoord van Bennie. 

Ik ga weer op dezelfde plek zitten als de vorige keer; links op de tweezits-bank tegen de muur. Op die manier zitten we in een mooie driehoek, en kan ik goed van de één naar de ander kijken. 

Akke is verheugd mij weer te zien en verwelkomt mij met een brede glimlach. Nadat we van Bennie koffie met koek hebben gekregen en hij weer in zijn stoel voor het raam is gaan zitten, vraag ik Akke of zij mij haar herinneringen aan de oorlog wil vertellen. 

“Maar ik heb lang niet zo’n interessant en spannend verhaal als Bennie hoor!” zegt Akke weifelend. Wanneer ik haar ervan heb verzekerd dat ik alles interessant vind om te horen, begint ze haar geheugen af te zoeken naar herinneringen. Eén voor één komen alle anekdotes op tafel, die ik voor dit verhaal op chronologische volgorde zet:

 

Akke is geboren in 1925 in Hallum, een terpdorp zo’n 20 kilometer ten noorden van Leeuwarden, in een arm gezin met socialistische sympathieën. Als lid van de SDAP – voorloper van de PvdA – liep vader ’s avonds langs de deuren om de partijkrant voor 5 cent per stuk te verkopen. De opbrengst ging naar de SDAP. 

Tijdens haar kindertijd is Akke met haar ouders, broers en zus naar Leeuwarden verhuisd, waar ze op de Mulo heeft gezeten. Aan de Wissedwinger, op de plek waar de oude Mulo heeft gestaan, staan nu hoge flatgebouwen.

Ze deed het goed op school. In 1942 is ze met een 10 geslaagd.  Akke betreurt het dat er geen foto is van de sobere ceremonie rondom het slagen. Maar in de oorlog was er geen fotopapier.

Er zat een Joods meisje bij Akke in de klas. Rozalie Mendels had een “lam armpje”, maar Akke herinnert zich nog goed dat Rozalie met haar éne ‘goede’ arm tijdens de gymlessen heel goed in de ringen kon zwaaien. Ze stak dan haar lamme armpje door een ring en met haar goede arm pakte ze de andere ring vast. 

“Nou, dan slingerde ze nét zo hard aan de ringen als wij hoor”, zegt Akke.

 Rozalie woonde in de Joodse buurt aan de ‘Bij de put’ nr. 9 (ook wel ‘Op de put’ genoemd). Ze was de jongste van de 5 kinderen van rabbijn Samuel Mendels, die in 1943 in Sobibor overleed. Geen van de kinderen heeft de oorlog overleefd. 

Er zaten veel Joodse kinderen uit Leeuwarden bij Akke op school. Tijdens de oorlog verdwenen deze kinderen heel geleidelijk uit de schoolbanken. Dat ging heel rustig, vertelt Akke, die er nauwelijks iets van heeft gemerkt dat ze verdwenen. Ze weet ook niet of ze naar een andere, naar een Joodse school gingen. Ze verdwenen gewoon.

 

Maar buiten school ging het leven door en Akke was een jonge, beweeglijke en sportieve meid die haar energie kwijt moest. Elke dag zwom ze in ‘De Grote Wielen’, een meer ten noordoosten van Leeuwarden. Ooit heeft Akke dit meer drie keer overgezwommen. Ook was er een zwembad aan het eind van de Groninger Straatweg waar Akke vaak naartoe ging. De heren moesten daar links zwemmen en de dames rechts. De Duitsers zwommen er ook, weet Akke nog. 

Dominee Zelle, een excentriek man volgens Akke, was eveneens regelmatig in het zwembad te zien. Hij zong altijd. Zelfs tijdens het zwemmen en het omkleden.

 

Het gezin waarin Akke opgroeide had het niet breed. Maar ze leefden in harmonie met elkaar en waren tevreden met het weinige dat ze hadden.

“Arm maar warm” zegt Akke zelf over die tijd.

“Als het maar rolt” zei Akke’s moeder vroeger, terwijl ze de dagelijkse maaltijd op een klein kacheltje klaarmaakte. 

Toen Akke’s zus – die de oudste was van de vijf kinderen – na het doorlopen van de school ging werken kon zij ook een financiële bijdrage leveren aan het levensonderhoud van het gezin. 

 

Ook Akke moest werk zien te vinden toen ze klaar was met school.  Na vijf sollicitaties kreeg ze werk bij Koopmans meelfabriek. Daar heeft ze Bennie leren kennen, maar daarover vertel ik een volgende keer.

Op klompen liep Akke van de fabriek naar huis. Aan het eind van de Leeuwenhoekstraat kwam ze dan langs een boerderij. Daar was het bosachtig; er stonden veel bomen. De beweeglijke Akke had na een lange dag werken altijd behoefte om zich even ‘uit te leven’. Ze greep dan een tak in de boom en slingerde er aan. 

Drie huizen verderop van Akke’s ouderlijk huis woonde een Duits echtpaar. Deze Duitse man, Herr Hefkens, werkte bij Rijkswaterstaat en liep mank. Nieuwsgierig als ze was keek Akke keek wel eens door een kier in de schutting van hun achtertuin naar hoe zij leefden. Want zij waren toch ‘de vijand’ en Akke was wel benieuwd hoe het er daar aan toe ging. Of Herr und Frau Hefkens dat ooit hebben bemerkt weet Akke niet, maar op een dag zei Frau Hefkens tegen de buurvrouw: “Dat kind, die Akke, dat lummelt maar wat om. Dat kan wel naar Duitsland”. De buurvrouw vertelde dit door aan de vader van Akke, die daarop reageerde met: “At hy dát docht, dan brek ik syn oare poat ek noch!” (als hij dát doet, dan breek ik zijn andere been ook nog!)

 

Als jong meisje van 16 of 17 jaar oud liep Akke eens in de Voorstreek, een straat in het centrum Leeuwarden, op de stoep. Er kwam een grote ‘slee’ met Duitse militairen voorbij rijden. Akke, in een ietwat baldadige bui, ging stram in de houding staan en bracht haar rechterhand in een militaire groet naar haar voorhoofd. De ‘slee’ stopte. Eén van de militairen stapte uit en liep naar Akke toe. Akke had onmiddellijk spijt van haar impulsieve en overmoedige daad en keek angstig op naar de Duitser. Hij vroeg haar naar haar persoonsbewijs. Met trillende vingers overhandigde Akke deze aan hem.  Na uitvoerige bestudering van haar persoonsbewijs las de militair haar de les: het was toch wel heel onbeschoft en gevaarlijk wat zij deed en voor straf zou hij Akke’s persoonsbewijs meenemen naar het politiebureau. Daar kon zij hem dan de volgende dag zelf weer ophalen. De Duitser stapte weer in de auto en lachend reden de militairen weg. Hevig geschrokken van het incident ging Akke naar huis. De volgende dag moest ze haar persoonsbewijs ophalen bij het politieburau, maar Akke had de schrik nog flink in de benen en nam een vriendin mee. Met knikkende knieën stapten ze samen het politiebureau binnen. Ze werden begroet door een Duits soldaat die met zijn pistool speelde. Akke en haar vriendin voelden zich hevig geïntimideerd, maar Akke raapte al haar moed bijeen en legde uit waarvoor ze kwam. Tergend langzaam en met zijn schietijzer spelend was de militair haar uiteindelijk ter wille, en zorgde hij ervoor dat ze haar persoonsbewijs terug kreeg. Eenmaal weer buiten haalde Akke opgelucht adem en nam zij zich stellig voor om nóóit weer zo iets stoutmoedigs te doen. 

 

Akke had één zus die 10 jaar ouder was dan zij.  Tussen Akke en haar zus zaten nog 3 broers. Akke’s zus zat vroeger bij de AJC (de Arbeiders Jeugd Centrale – een socialistische jeugdbeweging – onderdeel van de SDAP). Haar zus las veel en had veel boeken die ze ruimhartig uitleende aan anderen. Veel van deze boeken heeft ze nooit teruggekregen, vertelt Akke, nog steeds verontwaardigd over dit feit. 

 

Akke en Bennie vertellen dat er volgens hun herinneringen in elk geval twee keer een bom is gevallen op Leeuwarden en dat het vliegveld bij Leeuwarden is gebombardeerd.

 

Aan het eind van de oorlog stond Akke’s getrouwde en hoogzwangere zus op het punt van bevallen. Haar man was er niet. Akke en haar zus waren bij hun ouders thuis. Op een nacht sliep Akke op verzoek van haar zus bij haar in bed omdat zij het zo koud had. Nadat Akke bij haar in bed was gekropen werd zij weer warm. Het was heel gewoon voor hun om bij elkaar in bed te slapen want dat hadden zij vroeger ook altijd gedaan. Die nacht hoorde Akke vanuit de verte heel veel vliegtuigen aankomen. Het geronk van de motoren kwam steeds dichterbij. Akke werd bang en lag in bed te trillen als een boomblaadje. Maar haar hoogzwangere zus bleef heel rustig en leek geen angst te voelen. Later vernam Akke dat dit Engelse vliegtuigen waren geweest die op weg waren om Nederland te bevrijden.

 

Leeuwarden is bevrijd op 15 april. Drie dagen later, op 18 april, schonk de zus van Akke het leven aan haar eerstgeborene Thijs. “Mijn tantezegger”, zegt Akke trots. “toen werd ik voor het eerst tante”, zegt ze even later weer met dezelfde trots. Akke was toen 20, haar zus 30 jaar oud. 

Akke en Bennie hebben nog steeds contact met Thijs en zijn gezin. Bennie laat me foto’s zien van Thijs en zijn vrouw en van andere familieleden. 

 

Als ik wegga laten ze mij hun trouwfoto zien. “Ja,” zegt Akke, “toen was hij nog gek op mij”. Ik zeg dat hij dat volgens mij nog steeds is, waarop Bennie hard moet lachen en Akke met een glimlach zegt: “Hij is wel gek, maar niet op mij!”. 

Ik maak een opmerking over hun gevoel voor humor. Bennie zegt daarop lachend: “voor één lach per dag strijkt de dokter de vlag”. 

Glimlachend loop ik naar huis. 

 

PS: Bijgevoegde foto is een klassenfoto uit de Mulo-tijd van Akke. Helemaal links vooraan op de foto zit Akke op haar knieën. Ze kijkt lachend in de camera. Ook vooraan, naast Akke, zit Rozalie Mendels. Rozalie kijkt opzij.

 

Please reload

Recente berichten

March 12, 2016

Please reload

Archief
Please reload

Zoek op trefwoorden
Please reload