Lambeek tekst & vorm | Sylvia Lambeek | Groningen | 06 - 235 172 87

Bijgewerkt op 3 oktober 2019

'Wanneer de rozen weer in bloei staan...'

8 Oct 2015

 

Sinds enkele jaren zing ik met een regelmaat van ongeveer één keer per 18 maanden voor een afdeling demente bejaarden in een verpleeghuis in Hoogeveen. Dat doe ik samen met Mieke, een vriendin van mij wiens tante in dat verpleeghuis woont.  We worden daarbij muzikaal ondersteund door Aalf, een goede bekende uit mijn koorverleden in Groningen. Hij begeleidt ons op de harmonica – ik mag van Aalf niet meer ‘accordeon’ zeggen, want daarmee schijn ik het instrument geen recht te doen.

 

Het is erg dankbaar om voor deze mensen te zingen.  Ze genieten zichtbaar van de muziek, en reageren er allen op hun eigen manier op: sommigen zingen of neuriën zachtjes mee, anderen zingen bij de bekende refreinen luidkeels en vol enthousiasme mee. En er is ook altijd een groepje dat rustig luistert en zachtjes meedeint op de maat. Maar aan de ogen zie je dat de muziek binnenkomt, dat het ze raakt.

 

Dinsdag hebben we er weer gezongen. Afgelopen zondagmiddag hebben we met elkaar geoefend bij mij thuis. Mieke was een uurtje eerder gekomen zodat we nog even konden bijpraten; we hadden elkaar al lang niet meer gezien en gesproken. Het was mooi weer en ze was net uit Nijkerk komen rijden, dus zijn we een eindje gaan lopen.  Toen we op de terugweg langs het huis van Akke en Bennie liepen keek ik even naar binnen en zag ze aan de eettafel zitten. Ik zwaaide en Akke stak haar arm hoog in de lucht en zwaaide terug.

 

Kort nadat we terug waren kwam Aalf er ook aan. Met maar liefst drié harmonica’s – want voor elk liedje geldt weer een andere toonsoort en dus een andere harmonica – installeerde hij zich op een kruk in de woonkamer en het oefenen kon beginnen. We hadden net een paar liedjes gezongen toen de telefoon ging. Het was Akke.

 

“Ik zag je zojuist laag overvliegen, en toen bedacht ik me dat ik je toch even wil vertellen dat de broer van Bennie is overleden.”  Akke vertelde dat ze de vorige avond een telefoontje hadden gekregen. Bennie’s broer was al lange tijd ziek, leed aan darmkanker, wilde niet langer lijden en had zelf gekozen voor een vredige dood. Toen Akke alles verteld had vroeg ze wat ik aan het doen was. Ik  zei dat ik met anderen aan het zingen was voor een optreden in een verpleeghuis, waarop Akke enthousiast reageerde met: “oh dat kunnen jullie dan hier ook wel eens doen in het verpleeghuis”. Op dat moment kwam Bennie de kamer binnen en Akke vroeg of ik hem ook nog even wilde spreken. Dat wilde ik wel ik kreeg Bennie aan de lijn. Hij nam mijn condoleances in ontvangst en we praatten nog even over zijn broer, dat hij toch een respectabele leeftijd heeft bereikt – hij is 89 jaar geworden – maar dat het toch verdrietig is om een broer te verliezen, al is hij nog zo oud. Het is toch ook weer een stukje band met het verleden dat je los moet laten. Ook Bennie vroeg daarna wat ik aan het doen was en ik vertelde hem hetzelfde; dat we aan het zingen waren. “Oh wat leuk,” zei Bennie, “en wat zing jij dan? De eerste stem? De tweede? Of de derde?” Ik zei dat ik meestal de tweede stem zing, waarop Bennie door de telefoon begon te zingzeggen: “Zij zong zo graag de tweede stem, de tweede stem, de tweede stem, zij zong zo graag de tweede stem, de tweede stem zong zij!” Grappend zei hij erachteraan dat het versje waarschijnlijk nog ouder was dan hijzelf. En toen hingen we weer op, nadat ik had beloofd deze week nog even wat van me te laten horen.

 

Ik vertelde aan Mieke en Aalf over mijn contact met Akke en Bennie (waarvan Aalf als trouwe lezer van mijn blog al op de hoogte was – Mieke nog niet want zij doet niet aan social media) en dat Bennie’s broer nu was overleden. En toen ontstond het idee om na onze repetitie even met trekzak – ik bedoel: harmonica – bij Akke en Bennie langs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan. Voor alle zekerheid heb ik ze toch eerst maar even opgebeld voor het geval ze misschien door de omstandigheden niet zo in de stemming zouden zijn om naar ons vrolijke gezang te luisteren. Bennie nam op. Ik zei tegen hem dat we klaar waren met oefenen en dat wij – als zij het leuk vonden – bij wijze van ‘generale repetitie’ even twee liedjes bij hen zouden kunnen komen zingen. “Why not?” zei Bennie, “ik stop wel twee watjes in m’n oren!” En dus togen we gedrieën naar hun huis. Toen we het raam passeerden waarachter Akke altijd in haar rode stoel zit stak ze breed glimlachend haar duim omhoog. Bennie liet ons binnen en we stelden ons als muzikaal trio op in hun woonkamer. Toen Bennie weer in zijn stoel zat kondigde ik ons eerste liedje aan. ‘Wanneer de rozen weer in bloei staan’ handelt over een oud echtpaar dat hun zoon uitzwaait wanneer hij gaat varen, en die ze wanneer de rozen weer in bloei staan weer thuis verwachten. Maar het schip vergaat en dus staat het echtpaar wanneer de rozen weer in bloei staan aan de ree in de verte te staren, naar de wrede zee. Akke en Bennie vonden het prachtig en leken geroerd. En zoals ik niet anders van Akke gewend ben was zij weer gul met haar complimenten. “En jullie worden ook zo mooi begeleid” zei Akke, knikkend in de richting van Aalf – die daarop tien centimeter groeide. We zouden nog een liedje zingen. Ik vroeg aan Akke en Bennie of ze wel eens in het ‘Prater’ in Wenen waren geweest. Ja, daar waren ze zéker geweest. Bennie vertelde over zijn Oostenrijkse pleegzusje Franzi, dat vroeger voor de oorlog – Bennie lag toen nog in de kinderwagen – wel eens bij hen thuis had gelogeerd om ‘op verhaal’ te komen van het drukke en arme stadsleven in Oostenrijk. Na de oorlog is Franzi weer bij hen gekomen en heeft ze hier een poosje gewerkt. Nadat Franzi weer was teruggekeerd naar Oostenrijk en ieder z’n eigen leven ging leiden zijn ze elkaar een poosje uit het oog verloren. Maar later hebben ze weer contact gezocht met elkaar (de details hoe dit allemaal precies is gegaan weet ik nog niet, daar zal ik Bennie nog eens naar vragen) en zijn Akke en Bennie haar gaan bezoeken. Toen zijn ze ook in het ‘Prater’ in Wenen geweest. Dus sloten wij ons mini-concertje af met het zingen van “Im Prater blühen wieder die Bäume” en droegen het op aan Franzi. Bennie luisterde in stilte en ik zag een twinkeling in zijn ogen. Akke had zichtbaar plezier en zong met ons mee met haar armen in de lucht. We kregen applaus en bedankjes en ze zeiden dat ze ervan hadden genoten.

 

Blij dat ze waren meegegaan naar Akke en Bennie zeiden Mieke en Aalf, toen ik even later met ze meeliep naar hun auto’s: “Wát ’n leuke mensen zijn dat! Hiér doen we het toch voor?”

Dinsdag hebben we in Hoogeveen gezongen. De demente ouderen hebben genoten. En wij ook. Dus gingen wij alledrie met een goed gevoel weer naar huis.

 

Gisterochtend heb ik even koffie gedronken bij Akke en Bennie. Toen hoorde ik van Bennie dat zij vorige week dinsdag bij zijn broer op visite zijn geweest om afscheid van hem te nemen. Bennie verwerkt het in stilte: “van binnen”, zegt hij.

Vandaag wordt Bennie’s broer Henk gecremeerd. Op Bennie z’n 92e verjaardag.

Please reload

Recente berichten

March 12, 2016

Please reload

Archief
Please reload

Zoek op trefwoorden
Please reload